Ballon (fragment uit de serie Luc) (PD)


Hooguit een halfuurtje. Langer zou je er volgens West-Marseillanen die Val-de-Ricard op de kaart wisten aan te wijzen niet over doen om het plaatsje per auto te bereiken. Buiten de spits. Maar ik besefte donders goed dat bij mijn vertrek uit Marseille geen sterveling geïnteresseerd was in zo’n godvergeten gehucht, al helemaal niet de volgevreten lui die mij eerder vanuit het Quick restaurant stonden aan te gapen. Nu zat ik opgescheept met twee randfiguren in een wrakkige Renault.
Waren we alle drie van het spraakzame soort geweest, dan had het kabaal van de automotor het ons knap lastig gemaakt. Een eenvoudig gesprek was haast onmogelijk. Ik vond het best zo. We hadden elkaar niets te vertellen. Ik keek in de slordig afgestelde binnenspiegel waardoor ik de vrouw op de achterbank kon zien, dicht tegen het linkerportier aangedrukt. Ze staarde naar buiten en was net bezig van het stuk kauwgum in haar mond een ballon te blazen. De zoete, weeïge geur van het snoep had al eerder bezit genomen van de benauwde lucht in de auto. De roze, bijna doorzichtig glanzende bol kreeg net wat volume tot haar adem op was. Ze zoog nieuwe lucht haar neus in en blies nog een keer, maar nu voorzichtiger. Even dijde de ballon nog wat uit tot het met een klap uit elkaar spatte. De verprutste ballon had zich in een fractie van een seconde teruggetrokken in de vorm van resten kauwgom op de lippen van de vrouw. Een deel was op haar linkerwang terechtgekomen. Met de roze explosie kwam een extra zoete geur vrij die de lucht in de auto nog verder verstikte. Ze draaide haar hoofd richting de binnenspiegel en ontdekte mijn starende blik. Ik was betrapt als getuige van een op het eerste oog betekenisloze handeling. Ze deed geen moeite om de kauwgomresten naar binnen te werken. Het spul plakte nog steeds op haar lippen en wang. De vrouw keek me uitdagend aan en ik kon niet anders dan haar blijven aankijken.
Even schoot een spelletje door mijn hoofd dat ik vroeger op school altijd met klasgenootjes speelde. Het was het gevecht wie er het langs iemand met een stalen gezicht durfde aan te kijken. Keek je weg, dan had je verloren. Een simpele spelregel. Niet in de lach schieten was altijd het moeilijkste, dan had je sowieso verloren.
Dit gevecht was nog niet beslecht, want de vrouw en ik bleven elkaar aankijken. Ze opende haar mond en bracht haar tong naar haar bovenlip. Langzaam likte ze heen en weer over de kauwgomresten, zonder haar blik op mij af te wenden. Ze kneep haar ogen samen. Kraaienpoten tekenden zich af in de huid rond haar ogen. Ik had een zwak voor kraaienpoten.
“Kun je het zien?”
De woorden van Benoît kwamen maar net boven het geronk van de motor uit, maar het was genoeg om mij uit mijn betovering te halen. Hoe lang had ik naar de vrouw gestaard?
“Wat? Ik doe niks.”, zei ik met iets te verongelijkte en luide toon in mijn stem.
Ik keek Benoît aan als het betrapte kleine jongetje, bang voor de onvermijdelijke tik van mijn boze vader. Benoîts tik was er een van dodelijk zwijgen, zijn ogen strak op de weg gericht. Even durfde ik nog in de binnenspiegel te kijken. De vrouw keek mij opnieuw aan. De kauwgom was netjes opgeruimd en terug gestopt in haar mond. Ze tuitte haar lippen alsof ze mij wilde zoenen, maar net voor de denkbeeldige kus naar mij verzonden zou worden, legde ze haar dunne rechterwijsvinger op haar lippen. Onze blikken verlieten de binnenspiegel op hetzelfde moment. Gelijkspel. {PD}

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: