Het kleine leven in een oude telefoon (fragment uit de serie Luc) (PD)


Als een doldwaze stormde ik vroeger altijd de trap af. Onder luid protest van mijn moeder, maar dat vond ik altijd het leukste. Mijn moeder pesten. Haar waarschuwingen die ik nooit serieus nam.
“Luc. Voor de zoveelste keer, niet van de trap af rennen. Als je valt, breek je nog wat.”
“Ja, mama. Sorry.”
Natuurlijk zou ik de volgende keer weer als een idioot de trap af rennen, half struikelend omdat ik te veel treden tegelijk wilde nemen. Ik kreeg toch nooit straf van haar. Voor papa moest ik wel oppassen. Hij was niet veel thuis en als hij weer eens kwam opdagen na weken van radiostilte was het vaak een vreemde voor mij. Een vreemde met temperament. Niet dat nep boos van mama. Soms voelde ik zijn vlakke hand nog dagenlang gemeen tintelen op mijn achterwerk.
Vannacht nam ik mama wel serieus. Trede voor trede liep ik naar beneden. Het krakende hout van de trap vermengde zich met het gedempte huilen. Beide geluiden sneden dwars door de schemerige stilte heen. Mijn rechterhand klemde de greep van de goudgele revolver steeds harder vast.
In mijn herinnering duurde het een eeuwigheid voor ik bij mijn moeder stond. Ik staarde haar onbenullig aan. Mijn rechterhand met daarin de plastic revolver hing inmiddels nutteloos langs mijn zij. Waar had ik het ding nog voor nodig.
Moest ik ook huilen? Of bij haar gaan zitten? Aan niets kon ik zien of ze mij door had of dat ze volledig in zich zelf gekeerd was. Ik waagde het er op.
“Mama, wat is er? Waarom huil je?”
Mijn stem sloeg een bres in haar snikken. Het veranderde van klank. Alsof er een stem wilde doorbreken, maar nauwelijks de kracht had. Een snotterend geluid maakte zich los. Mijn moeder richtte haar hoofd langzaam op en keek mij aan. Haar ogen rood doorlopen. Trillende onderkin. Een sliertje slijm liep langs haar mondhoek naar beneden en vervolgde zijn weg over de rand van de kin waar het uit mijn zicht verdween.
“Je vader.” Twee woorden. Meer kwam er eerst niet uit. Ze had haar blik van mij afgewend en staarde nu voor zich uit naar het telefoontoestel aan de wand. Toch veranderde er iets. Het snikken maakte langzaam plaats voor diepe zuchten. Mama probeerde de snot die uit haar neus was gelopen terug te snuiven. Het hielp amper. Met de rug van haar linkerhand veegde ze het traanvocht weg, dat rond haar ogen en op haar jukbenen en wangen zat. Af en toe bewoog haar andere hand met daarin de hoorn. De telefoondraad bungelde onrustig heen en weer tussen hoorn en wandtoestel.
Nu was er wat bijzonders aan de hand met het telefoontoestel in de gang. Vroeger geloofde ik dat als iemand ons belde die persoon echt in het grijze toestel zat. Voor even was iemand een mini-mensje geworden, verstopt in het kastje. Rechtop leunend tegen de wand of zittend op een witte houten stoel. In het kastje hing ook een wandtoestel aan de muur waarmee de mensjes belden. En ook al had ik oom Gérard net bij ons thuis in levende lijve gezien, als hij mama een uur later belde, zat hij toch echt in de telefoon. Soms stelde ik me hele gebouwen voor in die kleine ruimte. Als er weer iemand anders belde, was de vorige beller al lang stilletjes verdwenen achter de coulissen. Maar dit keer had iemand mijn moeder gebeld en haar aan het huilen gemaakt. Ik keek naar de telefoon aan de muur. Voor het eerst was het donker in het kastje, want ik kon me niet voorstellen wie er had gebeld. Oom Gérard was het zeker niet.
“Kom eens hier jongen.” Mijn moeder had zich zo goed mogelijk gefatsoeneerd en probeerde haar tranen, snotterbel en kwijl weg te poetsen met een glansloze glimlach.
“Je weet toch dat papa op reis is?”
Ik had mijn ogen op de grond gericht en knikte instemmend. Dat had mama mij zelf een paar weken daarvoor verteld. Ze had er niet bij gezegd waar hij heen was en ik heb er niet naar gevraagd. Ik was nog boos op hem omdat ik net een week daarvoor nog een paar flinke klappen van hem had gekregen.
“Je papa komt niet meer terug. Nooit meer. Snap je?”
Wat moest ik er aan snappen? Hij was toch op reis? Iemand die op reis was, kwam vanzelf weer terug.
Ik moet er wat bedremmeld bij hebben gestaan. Plots sloeg mijn moeder vanuit haar zittende positie haar armen om mijn middel. Ze drukte de rechterkan van haar hoofd hard tegen mijn buik aan. Haar lichaam schokte. Ze huilde, maar haar verdriet werd gesmoord in de zachte badstof van mijn pyjama.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: