De Overval (RP)


Ik zit in de stront, begrijpt Arno. Tot over mijn oren. Hij voelt nog een keer aan de pols van het kaasboertje. Niets. Als hij het loslaat, valt de arm van de dode als een ledemaat van een slappe pop terug op de stenen vloer. Het is nooit druk op dit uur, maar Arno beseft dat er desondanks elk moment iemand de winkel kan binnenstappen. Met een hartaanval als smoes wegkomen lukt niet. Daarvoor zit het mes, dat diep in de borst van het kaasboertje steekt, in de weg. In ieder geval moet dit lijk weg, denkt Arno. Misschien is er wel iets achter de winkel. Een opslag, of een kelder. Arno kijkt om zich heen. Bij de toonbank hangt een versleten kralengordijn.

Hij pakt het kaasboertje bij zijn voeten en begint aan hem te sjorren. Godverdomme, wat een zware gast, vloekt Arno binnensmonds. Moeizaam sleept hij de man achter de toonbank. Hij probeert tussen de kralen heen te kijken, maar het is te donker. Hij laat een voet los om de kralen opzij te kunnen duwen. Godnon… Arno houdt zijn schreeuw in. De lompe poot van de kaasboer viel recht op zijn eigen voet. Hij laat de andere ook vallen. Terwijl hij zijn eigen pijnlijke voet wrijft, steekt hij zijn hoofd tussen de kralen door. Op de tast zoekt hij voorzichtig naar een lichtknopje, bang om iets aan te stoten en nog meer lawaai te maken. Hij vindt iets en knipt het licht aan. Tot zijn stomme verbazing kijkt hij recht in de ogen van de doodsbange kaasboerin. Een kort moment kijken ze elkaar aan. Dan gaat de blik van de mevrouw verschrikt naar het levenloze lichaam van haar man, dat door al het gesjor in foetushouding op de vloer is blijven liggen. Ze deinst achteruit en slaat haar handen voor de mond.

‘Help eens even mee’, zegt Arno, terwijl hij met zijn hoofd richting de voeten van de man knikt.

De vrouw staart nog steeds verstijfd van angst naar het kaasboertje.

‘Pak zijn voeten, godverdomme,’ roept Arno. Hij beheerst zich, maar ziet dat de kaasboerin twijfelt. Dreigend doet hij een stap in haar richting. Ze durft het risico niet aan en pakt de voeten van haar man. Aan het einde van de krappe ruimte ziet hij een openstaande deur. Het biedt toegang tot een trap die verdwijnt in een donkere diepte. Hij sommeert de vrouw voorop richting de trap te lopen. Ze kijkt doodsbang en wil een poging doen om te weigeren, maar volgt de opdracht volgzaam op. Samen dalen ze langzaam schuifelend de trap af, met de kaasboer tussen hen in en het zachte gesnik van de kaasboerin, dat weerkaatst tegen de koude muren.

Het enige licht beneden verspreidt zich via twee kleine peertjes. Links en rechts liggen kazen hoog opgestapeld in rekken. Niet treuzelen nu, denkt Arno. Wat te doen. Hij tuurt naar het einde van de kelder. Een grote ton met deksel lonkt. Opnieuw een meevaller. Hij draait zich om naar het kaasvrouwtje en wijst richting de ton.

‘Haal het deksel er van af.’ sommeert hij. Ze doet wat hij zegt.

‘Goed zo, je kan het best. Zie je nou wel,’ zegt Arno grijnzend.

Een rotte kaaslucht ontsnapt aan de ton. Hij pakt de man onder zijn oksels, tilt hem met al zijn kracht op. Arno weet het hoofd en de romp pas in de ton te krijgen als hij het mes heeft verwijderd. Hij gooit het bebloede lemmet nonchalant op de grond voor de voeten van de vrouw. Ze zal het wel laten iets te flikken, denkt Arno. Het kaasboertje hangt nog omgeklapt over de rand van de ton. Arno is op van de inspanning. Hij doet een stap naar achteren en  veegt zijn handen schoon aan zijn trui. Hij rommelt in zijn broekzak en begint een shagje te draaien.  Arno steekt de sigaret tussen zijn lippen. De rooklucht vermengd zich met de zieke bedompte lucht in de kelder. Hij perst een flinke wolk rook door een spleetje tussen zijn lippen en tipt de as van zijn sigaret. Hij plukt een stukje shag tussen zijn tanden weg.

‘Wat moet je met zo’n vent,’ vraagt hij plotseling aan het kaasvrouwtje. ‘Begrijp me niet verkeerd, maar je ziet er strak uit. Leuk koppie voor je leeftijd. Maar dat,’ en hij knikte richting het kaasboertje. ‘Zo’n ouwe, fattige gast. Bovendien valt er geen rooie cent te halen.’ Hij denkt aan de teleurstellende opbrengst van deze hele actie. Er in en er uit, was het plan. Maar nee, het kaasboertje moest de held uithangen.

‘Ik heb je man nog gewaarschuwd, maar hij wou niet luisteren. Dat komt er van. Ik vind het ook niet leuk dat ik de boel nu moet opruimen.’

De vrouw begint te snikken en werpt zich op haar knieën.

‘Ja, huil maar schatje,’ zegt Arno met een grijns en hij tikt de peuk van zijn sigaret weg, richting het hoofd van het kaasvrouwtje. Dan begint ze nog harder te huilen.

‘Zeikwijf.’ Arno is er klaar mee. Hij moet van dat lijk afkomen. Of beter: allebei. Zij is zo aan de beurt. Er passen er wel twee in. Geconcentreerd pakt hij de voeten van het kaasboertje vast. Op het moment dat hij de benen van het kaasboertje over de rand van de ton wipt, voelt hij een steek in zijn linkervoet. En nog een steek, harder dit keer. Wat de fuck? Godverdommes kutwijf. Hij ziet hoe het kaasvrouwtje in het wilde weg met het mes door zijn schoen prikt. Het bloedt. Arno schopt om zich heen. Wat haalt die kaashoer zich in haar hoofd, godverd… Met zijn linkervoet raakt hij iets hards. Een pijnscheut vlamt door zijn onderbeen. Arno schreeuwt het uit. Tranen staan in zijn ogen. Wat is hier aan de hand? Het gaat opeens helemaal mis. Arno blijft schoppen. Nogmaals iets hards en een harde gil. Met een krak landt het hoofd van de kaasboerin op het beton. Stil blijft ze liggen, een straal bloed vormt een kussen onder haar verstilde hoofd. Arno hijgt en kijkt naar zijn voeten. Ook hij staat in een plas bloed. Wat is hier in godsnaam aan de hand? Hoe heeft het zo fout kunnen gaan? Een simpele overval op zo’n sloom kaasboertje. Paar ruggen ophalen en dan fluitend weer de straat op. Maar meneer wou de held zijn. Terwijl hij nauwelijks genoeg geld in kas had om een paar nieuwe schoenen van te kopen. En toen wou mevrouw ook nog de held zijn. Arno ploft neer op de grond en slaat zijn handen voor zijn hoofd. Vermoeid veegt hij door zijn ogen. Wat een hel. Hij zou willen slapen. Heerlijk uitrusten en dan weer wakker worden in zijn eigen bed. Kalm. Arno sluit zijn ogen. Wat een rust. Het valt hem op hoe stil het eigenlijk is in de kaaskelder. Het is aangenaam koel. Arno glijdt langzaam weg. Slapen. Hij wil … alleen maar … slapen.
Het kaasvrouwtje krabbelt aangeslagen overeind. Ze kan nauwelijks denken. Weet niet waar ze is. Ze heeft het mes in haar hand. Kijkt om zich heen. Haar hoofd spat uit elkaar van de pijn. Warm vocht loopt door haar ogen. Ze kan amper zien. Verderop ligt hij. Is hij dood? Hij beweegt niet. Ze kruipt naar hem toe.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: