Kafka in de antichambre (RP)


‘Desondanks wil ik u helpen,’ zei de vrouw. ‘Komt u maar mee, we moeten het bespreken.’ Ontstemd over het koele voorbehoud trad ik de ruime hal binnen. Zonder nog iets te zeggen, ging ze me voor naar de ontvangstkamer. De deur liet ze open staan. Enigszins weifelend sloot ik deze en haastte me achter de vrouw aan. Ze had geen heupen. Haar middel liep in een lange rechte lijn door naar haar magere benen. Puntbillen staken als scherven door de dunne roze stof van haar jurk. Ze deed me denken aan de zuster die op kille dagen waarop zij de ramen kwam sluiten om de kachels aan te steken. De geur van vochtig turf en jongenszweet. Nu zweette ik ook, maar was ik geen jongen meer. Al dacht deze strenge dame daar schijnbaar anders over. Nog even geduld. Ik volgde de vrouw en hield de gedachte vast, nog even geduld.
In de ontvangstkamer was het kil. Desalniettemin gebaarde de vrouw dat ik mijn jas uit moest doen.
Ik gehoorzaamde. Zwijgend stonden we tegenover elkaar. Ik kreeg kippenvel en zag de ijsbloemen op het raam. Een waterig zonnetje deed ze verschrompelen en langzaam naar beneden gleden. Buiten strekten de besneeuwde weilanden zich uit. Bomen met kale takken stonden onbeweeglijk overeind op gelijke afstand van elkaar. In de verte zag ik de omtrekken van het dorp. In de voorste huizen brandde warm licht en boer Van Dijk liep met zijn grote herdershond langs het Saligpad, floot hem terug als hij te ver weg liep. De kerktoren stak fier af tegen een gekleurde horizon. De avond zou gauw vallen.
‘Wilt u uw sjaal ook afdoen alstublieft.’ De vrouw streek even met een hand door haar haar, terwijl ik de donkergrijze sjaal die ik pas van mijn vader gekregen had in de mouw van mijn jas stopte. Zij reikte haar hand en voordat ik begreep dat deze bedoeld was om mijn jas aan te nemen, had zij hem al van mijn arm gegrist en aan de kapstok gehangen. Gedecideerd, maar met zorg plukte ze een pluisje van de kraag.
‘Volgt u mij alstublieft,’ zei de vrouw. Aan het einde van de ontvangstkamer opende ze een deur. Ze gebaarde met haar hand richting een schemerige gang. Ik aarzelde en was verward dat zij mij nu niet zou leiden, maar achter mij aan zou lopen. Ze zou zien hoe versleten het zitvlak van mijn katoenen broek was. Om nog niet te spreken over de platgelopen hakken van mijn schoenen.
‘Alstublieft, ik wil met u praten, maar heb niet veel tijd,’ zei ze ongeduldig. Ik knikte en liep vlug door, met de vrouw op mijn hielen. Net voor het einde van de gang passeerde ze mij en leidde mij een ruime antichambre binnen. ‘Neemt u plaats,’ sommeerde de vrouw. ‘Ik kom dadelijk bij u terug met mijn man.
Hij moet er beslist bij zijn.’
‘Jawel, mevrouw,’ antwoordde ik gedwee. Ik ging zitten in de diepe fauteuil die de vrouw mij had aangewezen, het enige meubelstuk in het scherp verlichte vertrek. Ze verdween door een andere deur. Gespannen trommelde ik met mijn vingers op de leuning.
Vrij snel kwam de vrouw terug met haar man. Hij was gezet en had indrukwekkend grote bakkebaarden.
Ik herkende hem direct. Mijn hart raasde in mijn keel. Na al die jaren stond ik zomaar op een handlengte afstand van hem. Hij bekeek mij van top tot teen en zuchtte vermoeid. ‘Mijn vrouw zal het u aan de deur al ontraden hebben.’
‘Jawel, meneer,’ zei ik, ‘maar…’
‘Zwijg!’ De man had een diepe baritonstem. ‘U weet dat wij geen boeren aannemen. Wat denkt u wel niet? Dat wij onszelf zouden inlaten met eenvoudige lieden zoals u?’ Zijn vochtige lippen trilden van woede.
Ik onderdrukte mijn neiging om hem tegen te spreken. Ik had me hierop voorbereid, maar toch sneed het door mijn ziel. Alle heimelijke preparaties zouden domweg beëindigd worden met het eenvoudige argument dat ik een boer was. De man had gelijk. Ik was een boer, maar wel een strijdbare. Mijn afkomst zou niet mijn toekomst worden.
‘Jawel, meneer,’ zei ik nogmaals. De man trok zijn schouders recht en keek me indringend aan. Een korte stilte. Ik maakte mijn zin niet af, maar bedacht dat het nu of nooit was. Ik stond op. Mijn rug rechtte zich en ik liet de spanning van me afglijden. Ik boog mijn armen, zette mijn voeten in de eerste positie en sloot mijn ogen. Plié, tendu en avant en een pas de chat. Ik danste. Ik vergat de kou, de priemende ogen van de choreograaf en zijn vrouw, mijn eigen angst en cirkelde onbevangen door de ruimte. De muziek speelde in mijn hoofd. Ik vergat de tijd. Ik vergat waar ik was. Ik leefde in de muziek en in de dans. Ik was dans. Lichter dan de lucht was ik en kon wegvliegen wanneer ik maar wilde. Met een gewaagde arabesque kwam ik vol aplomb voor de verbaasde gezichten van de choreograaf en zijn vrouw tot stilstand. Ik hijgde voldaan en voelde het zweet dampen in de koude lucht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: