Oudjaarsavond 2004 (LL)


De lamp op de gang is nog aan. Er komt een streep licht onder mijn deur vandaan, net als vroeger. Ik was toen ook al een slechte slaper. Buiten is er een feestje aan de gang, gedachten aan een beter leven schieten door mijn hoofd.

Oudjaarsavond 2004. Wat onwennig zaten we naast elkaar in de bus, kijkend naar wat voor ons lag. Verleden achter ons latend in de vorm van uitgestrekte weilanden en dorpjes op de helling, met huizen klein als de roosjes op mijn jurk. We aten kleffe pizza’s in het Turkse restaurantje op de hoek en rookten er Davidoff, omdat het immers een feestelijke avond was. Hadjar rookte niet. Haar moeder kende het oude vrouwtje die de baas was in de pizzeria en als haar moeder er achter zou komen dat ze rookte dan zou het huis te klein zijn. Dus wij rookten en Hadjar dronk cola. Uit een blikje met twee rietjes, een gele en een roze.

Een eerste dag van een nieuw leven. Iedere keer voelt het als een openbaring, maar van de vorige eerste dagen van nieuwe levens is geen herinnering meer over. Ik denk aan ons. De uren die we hebben doorgebracht op de bovenste etage van de V&D in het restaurantje. Vijf koffie, drie stukjes appeltaart, broodje kaas en een tosti. Op een dienblad, kassa. Ik denk aan hoe mijn moeder met precisie de gehaktballen draaide totdat ze allemaal even groot waren. Vrienden voor altijd, in voor- en tegenspoed en tot de dood ons scheidt. Het waren mooie tijden, de hele dag zeiken en roken. Keer op keer te laat thuiskomen, week in week uit totdat moeder het opgaf en niet meer schreeuwde als ik binnenkwam. Ze flikkerde het bord op tafel en liep de trap op naar boven. De gehaktballen waren koud en verschrompeld.

Onze stamkroeg was vol met mensen die wij niet kenden. Ze stonken en lachten hard, lagen uitgebreid te zoenen op de biljarttafel. Onze biljarttafel. Drank vloeide rijkelijk. Davidoff werd Marlboro, Marlboro werd Pall Mall en Pall Mall werd shag van de barman die er pas een week werkte en zijn ogen ook niet in zijn zakken had. We kenden de procedure. Vijf biertjes bestellen aan de bar met puppyogen, de allerliefste glimlach en ietwat meer decolleté dan we hebben konden. Op die manier kregen we tien bier en mochten we sjekkies van hem draaien. Aardige jongen, nu dood. Auto-ongeluk.

Tegen de tijd dat het aftellen begon waren wij al ladderzat. Verscholen in een hoek van de kroeg vertelden wij onze levensverhalen. Dat deden we altijd en iedere keer werd de misère groter. Na ieder levensverhaal werd er gezeken, hoe meer grove woorden hoe beter, de ene sigaret met de andere aan. Wij voelden ons kunstenaars, buitenstaanders. De maatschappij was veel te klein, of juist veel te groot voor ons, ruimdenkenden, andersdenkenden. In den beginne was er niets en daarna kwamen wij, scheppen en creëren, morgen zal alles toch weer anders zijn. Je lult slap, laten we dansen.

De lichten draaien om mij heen als kleine vlindertjes. Ik probeer ze te vangen maar ze zijn al in mijn hand. In het damestoilet kras ik zijn naam op de deur. Geen hartje, nooit een hartje, liefde is immers voor domme mensen, mensen met hoop enzo. Als de nacht voorbij is, wordt het tijd voor een bushokje. We laten de taxi’s aan ons passeren want het geld is op, lopen is geen optie. Onze adem maakt kleine wolkjes in de lucht. Ik bekijk mijn vrienden stuk voor stuk en denk aan hun bruiloften en begrafenissen. Ik zeg dat ik eigenlijk wel gewoon gecremeerd wil worden, want na alle levensverhalen moet er ook iets gezegd over de dood. Ik denk aan mijn moeder en aan al haar nieuwe levens. Aan haar starre gezicht en haar slungelige ledematen. Misschien dat ik het toch wel erg zou vinden als ze er niet meer zou zijn. Maar een mens moet toch een keer dood op het einde.

Hadjar is nu ook dood. Voor haar wel een hartje omdat ze geen hart meer heeft dat nog klopt. Op haar begrafenis geen koffie en cake wel veel muziek en witte rozen. Ik moest huilen toen ik haar moeder zag huilen. Een week later zaten we toch weer in de V&D. Vijf koffie, drie stukjes appeltaart, broodje kaas en een tosti, vaste prik. De koffie werd koud, de tosti hard, wij stil. Ik kon me geen wereld voorstellen zonder haar, toch was die wereld er.

Nu begint haar gezicht langzaam te vervagen. De kleuren in haar stem kan ik me niet meer goed herinneren en haar geur is overspoeld door tienduizend andere geuren die vreemd zijn. Ik zie haar wel nog lopen en lachen, maar dan alleen haar contouren met twee hazelnootbruine ogen. Ik kras de eerste letter van haar naam op mijn bovenbeen en wacht tot het wit weer is weggetrokken. Ik denk aan mijn moeder, aan haar stem, aan haar gezicht. Ik denk aan alle mensen op aarde, die nog leven, die nog ademen. Ik denk aan een cola met twee rietjes, een gele en een roze.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: