Nacht (LL)


Korte grote roes van regen. Dikke druppels op de paraplu, onophoudelijk zingen dat hem wakker houdt, zo slapeloos, zo heerlijk machteloos. Door de stad. Aan weerszijden van de straten de mensen, de levens die elkaar zachtjes aanraken, met de toppen van vingers, de ruggen van handen, aaitjes van ogen die in een klein onbewaakt ogenblik elkaar ontmoeten en weer loslaten.

De knoop van mijn jas is eraf, ik moet sowieso een nieuwe, zal ik hem uitdoen? Ik wil de regen voelen op mijn huid, mijn ogen waterig, druppels die door mijn wenkbrauwen en langs mijn wimpers kleine traantjes maken die niet van mij zijn. Achter ons is de stad allang verloren, groots en meeslepend ten onder gegaan bij het opdoemen van nacht. Het scheve lantaarnpaallicht schijnt op de puinhoop die bij ochtendgloren opnieuw het toneel zal vormen voor leven. Nu zijn de straten dood en het leven verschuilt zich achter ramen van huizen waar mensen ademen, waar hun dromen de gesloten levens overhoop halen. Overdag zullen de levens opnieuw worden gerepareerd, zoals iedere dag dat doet. Mijn kleine regentranen vullen de grachten, sijpelen tussen de klinkers door, steeds een voegje verder. Ik verlies mijn sjaal, maar laat hem achter, koud heb ik het toch niet. We dwalen ver en verder weg van het besef dat er geen enkel huis is, waar herinnering en heden samen zullen komen. De dag. Voor dit begin is geen nieuwe dag nodig.

Ik tel de stoeptegels onder mijn voeten, wil alleen op de witte strepen van het zebrapad. Ik ruik lente, het is winter een enkele auto rijdt voorbij. Op het kruispunt dat we dwars oversteken besluiten we het ‘ons’ te noemen. Bij elkaar, zijn, horen, zoiets. Geen houden van, want dat is te groot. Nee, we noemen het niet houden van, want dat is voor grote mensen. Wij zijn allang geen kleine mensen meer, maar nog niet groot genoeg om van elkaar te houden. ‘Ons’, dat is beter. Jij en ik. Zoiets. Ergens daar tussen in. Zullen we… Nee, niet praten. Niet stuk maken, niet stuk, niet. Lopen, zwijgen. Zingen, dat is goed. Misschien dat de nacht nooit overgaat als wij de lappendeken van wolken en sterren stevig vasthouden. Misschien dat we de wereld kunnen redden van het repareren van dromen. Misschien dat we onze eigen dromen kunnen behouden als we eeuwig wakker zijn.

Het is alsof een woestijn van steen en straat zich voor ons uitstrekt. Wie zegt dat de wereld doorgaat na de horizon? De regen is vervangen door nevel die de ruïnes van de stad omhelst met kilometers spinnenrag. Wat als er toch een ochtend komt? Nee, niet doen. Niet stuk maken, niet kapot, niet. Aan de horizon verschijnen de eerste strepen licht en als we ons omdraaien om te vluchten zien we de stad al ontwaken. Ik tel de stoeptegels onder mijn voeten, wil alleen op de witte strepen van het zebrapad. De dag repareert ongevraagd ook het nachtelijk besluit. Ons is gewoon weer jij en ik. We nemen afscheid bij de poorten van de stad, waar de mensen nors hun huizen overeind zetten zoals zij dat iedere ochtend doen.  Ik ruik lente, het is winter. Gelukkig. De dag is kort en de avond zal ons vroeg komen halen. De nacht zal ons gauw weer vervullen met dromen en met elkaar. Zoals altijd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: