Relaas van een Medusa (LL)


Haar droevige oogopslag trof hem. Verblind was hij door de wereld die zich diep in haar innerlijk verborg, maar haast tastbaar was in haar kijken. Ze keek zonder einde. Hij besloot haar magie te kopen met alle gevolgen van dien: hij zou nooit meer slapen. Zij zou hem wakker houden met haar onophoudelijk zingen.

In de straten van een vreemde stad dwaalde hem en haar en ons. Korte grote roes van regen, dikke druppels op het bed. Om elkaar en in elkaar, zij zweeg en keek, hij praatte, probeerde en iedere twijfel werd weggevaagd door de hoop die innerlijke wereld ooit te mogen betreden, de hoop, dat verering het geluk bracht, de hoop dat tijd zou opheffen, genezen, verbinden.

Thuis begon de tweestrijd van het minnen. Af en toe vervormde haar mond tot een glimlach, ontblootte zij haar tanden en vleide zij zich tegen hem aan. Hij omhelsde haar met duizend innerlijke armen, maar zij vroeg altijd meer. Hij faalde, haar lippen sloten zich, ze pakte haar sjaal en liep naar buiten, het donker in.

Ze doolde alleen door dode straten. Het leven verschool zich achter ramen van huizen waar mensen ademden, waar hun dromen de gesloten levens overhoop haalden. Het donker, de stilte greep haar bij de keel, sloot zijn ruwe eeltige vingers steeds steviger om haar hals, geen lucht. Haar tranen vulden de grachten, sijpelden tussen de klinkers door, steeds een voegje verder. Ze verloor haar sjaal, maar liet hem achter, dwaalde ver en verder weg en ze besefte dat er geen enkel huis was, waar herinnering en heden samen zouden komen.

De dag.

Waar bleef de dag?

Tegenovergesteld. Stoelen aan weerszijden van de tafel, zwijgen gevoed door angst. Het doffe geluid van haar huilen. Lange kleine roes van regen, dikke druppels op het tafelblad, met open armen als een kind. Ze leefde nog, dacht hij, ze leefde nog. De tranen werden groter, diepe schokkende halen, maar waar bleef het praten? Zij probeerde haar tranen in te houden, trok haar mondhoek op, keek hem vragend aan. Ze probeerde op te staan en zich aan zijn voeten neer te vleien, wreef haar slanke handen over zijn huid, volgde de lijnen in zijn rug. Hij stond op, had geen zin in troosten. Ze werd ieder jaar mooier, maar liet zich nooit bevrijden. Nimmer had hij iemand zo zien smeken om liefde. Ze kronkelende van spijt en angst, ze huilde, lachte, kreeg de woorden door het snikken heen nauwelijks over haar wellustige lippen, ze schreeuwde het uit van liefde en onmacht. Een smeekbede om aan toe te geven, te begrijpen, van te houden, maar zijn trots liet haar zo. Hij pakte zijn jas en liep naar buiten. Liet haar alleen, zoals daarvoor.

De stad was vol leven. Met grote teugen snoof hij de avondwind, de vrijheid, weg van de dag waarin de uren geteld, het zwijgen uitgezeten. Wat hem hier had gebracht was hem onduidelijk, instinct zei dat hij daarmee loog. Het deed er verder ook niet toe: de vreemde vrouw was als was in zijn handen, boog haar lenige lichaam, kromde zich rondom hem. Hij voelde bloed in aderen stromen, maar hoopte dat zij het was, die door datzelfde bloed in leven werd gehouden. In plaats daarvan zag hij vreemde ogen, voelde de vreemde huid en besefte hij dat zijn domme trots zijn ogen had gesloten voor die van haar, die nog nooit zo open waren geweest.  Thuis was het bed ledig, zij rook zijn verraad, maar beiden zwegen. Precies zoals daarvoor.

Haar droevige ogen waren zoals altijd, maar een gloed, zo star, was nieuw. Het eten bracht zij in herhalend ritme naar haar mond. Hij kon geen woorden vinden, wist niet eens meer hoe het moest. De vertwijfeling maakte zich van hem meester, klom langs zijn stoelpoten omhoog, bevroor zijn vingers. Hij voelde dat hij nu moest praten. Hij voelde dat zij wist van zijn verraad, maar voor hij kon ademhalen zei ze: ‘Er groeit een kind in mij’. Ze sprak de holle woorden, betekenis loste op in lucht en hij zag de woorden die zij eigenlijk spreken wilde, woorden waarvan betekenis niet vervliegen kon, maar vastgebeiteld was in het midden van haar binnenste, hun uitweg even dicht als mist: ‘ik krijg een kind en wil het niet’.

Maar het kind bleef. Het groeide, schopte, kwam ter wereld, was afhankelijk van haar net zoals zij ooit van hem afhankelijk was geweest. Zij lachte haar tanden bloot en open. Hij bestond niet meer. Het pact was zonder hem gesloten. Hij had niet voldaan, het kind wantrouwde hem net zoveel als zijn moeder dat deed. De dikke tranen die zij kon troosten, de kleine vragende handjes die zij kon vastpakken, het slapende lichaam dat zich gewichtsloos in haar armen bevond. Het kind gaf haar gezag. Zwijgende allesoverheersende macht. De macht van het gelijk.

Slangen met sissende hoofden, de galspuwende bekken die zich door haar hoofdhuid worstelden, de glibberige lijven innig verstrengeld. Hun stinkende, slijmerige adem deed de ijskoude lucht bevriezen. Ogen van steen verdorden alles wat zich argwanend maar stompzinnig in haar blikveld waagde, koud en hard, onvergeeflijke lagen ijs over woorden, geluid van donder, dood.

Nimmer had hij iemand zo zien smeken om liefde. Ze kronkelende van pijn en woede, allesverzengende blinde haat, ze kwijlde, spuugde, kreeg de woorden alleen met nietsontziende walging over haar wellustige lippen. Een smeekbede om voor te vluchten.

Maar hij bleef.

Hij bleef.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: